Knie
Patellofemoraal pijnsyndroom
- Ontstaan
- Een verstoorde verhouding tussen belasting en belastbaarheid van het patellofemorale gewricht. Vaak spelen een toegenomen trainingsomvang, verminderde heupabductiekracht en een grote Q-hoek mee.
- Herkenning
- Slecht te lokaliseren pijn rondom of achter de patella, die toeneemt bij traplopen, hurken en langdurig zitten met gebogen knieën. De richtlijn noemt dat laatste het theaterfenomeen.
- Beloop
- De richtlijn stelt de incidentie op ongeveer een kwart tot een derde van alle knieblessures, met een piek tussen 20 en 35 jaar en het vaakst bij hardlopers, en vaker bij vrouwen dan bij mannen.
- Wat de richtlijn aanbeveelt
- Crepiteren is geen criterium: de richtlijn wijst erop dat het bij meer dan de helft van de mensen zonder knieklachten voorkomt. Palpatie van de patellafacetten en beoordeling van de beenas horen wel bij het onderzoek.
Structuren
- Mediale brede dijbeenspier
- Laterale brede dijbeenspier
- Rechte dijbeenspier
- Patellaire retinacula (Mediale en laterale knieschijfbanden / MPFL & LPFL)
Betrokken gewrichten
Bronnen
- Van Berkel S. Mono-disciplinaire richtlijn Patellofemoraal pijnsyndroom. Vereniging voor Sportgeneeskunde. Bilthoven. 2010 https://www.sportgeneeskunde.com