Kennisbank
Begrippen
De basistaal: vlakken, assen, richtingen, bewegingen en de termen uit de gewrichtsleer.
Vlakken, assen en uitgangspositie
- Anatomische uitgangspositie (Positio anatomica)
- Rechtop staand, gezicht en ogen naar voren, armen langs het lichaam met de handpalmen naar voren, voeten naast elkaar met de tenen naar voren. Alle richtingen en bewegingen zijn ten opzichte van deze stand gedefinieerd, ook als de patiënt ligt.
- Mediaanvlak (Planum medianum)
- Het ene sagittale vlak dat precies door het midden loopt en het lichaam in een linker- en een rechterhelft verdeelt.
- Sagittaal vlak (Planum sagittale)
- Elk vlak evenwijdig aan het mediaanvlak. Bewegingen erin (flexie, extensie) draaien om de transversale as.
- Frontaal vlak (Planum frontale (coronale))
- Verdeelt het lichaam in een voorste en een achterste helft. Bewegingen erin (abductie, adductie, lateroflexie) draaien om de sagittale as.
- Transversaal vlak (Planum transversale)
- Verdeelt het lichaam in een bovenste en een onderste helft. Bewegingen erin (endorotatie, exorotatie) draaien om de longitudinale as.
- Transversale as (Axis transversalis)
- Loopt van links naar rechts, dwars door het lichaam. Staat loodrecht op het sagittale vlak, dus flexie en extensie draaien hieromheen.
- Sagittale as (Axis sagittalis)
- Loopt van voor naar achter. Staat loodrecht op het frontale vlak, dus abductie en adductie draaien hieromheen.
- Longitudinale as (Axis longitudinalis)
- Loopt van boven naar beneden, in de lengterichting. Staat loodrecht op het transversale vlak, dus rotaties draaien hieromheen.
Richtingen en ligging
- Craniaal (Cranialis (superior))
- Naar het hoofd toe, dus hoger gelegen.
- Caudaal (Caudalis (inferior))
- Naar de staart toe, dus lager gelegen.
- Ventraal (Ventralis (anterior))
- Naar de buikzijde, dus aan de voorkant.
- Dorsaal (Dorsalis (posterior))
- Naar de rugzijde, dus aan de achterkant. Aan de hand en de voet betekent dorsaal juist de handrug en de voetrug.
- Mediaal (Medialis)
- Dichter bij het mediaanvlak.
- Lateraal (Lateralis)
- Verder van het mediaanvlak af, dus meer naar de zijkant.
- Proximaal (Proximalis)
- Dichter bij de romp of bij de oorsprong van een ledemaat.
- Distaal (Distalis)
- Verder van de romp af, dus meer naar het uiteinde van een ledemaat.
- Superficieel (Superficialis)
- Dichter bij het lichaamsoppervlak.
- Diep (Profundus)
- Verder van het lichaamsoppervlak af.
- Palmair (Palmaris (volair))
- Aan de handpalmzijde.
- Plantair (Plantaris)
- Aan de voetzoolzijde.
- Radiaal en ulnair (Radialis, ulnaris)
- Aan de duimzijde respectievelijk de pinkzijde van de onderarm en de hand. Gebruikt in plaats van lateraal en mediaal, omdat die bij pro- en supinatie zouden verspringen.
- Tibiaal en fibulair (Tibialis, fibularis)
- Aan de scheenbeen- respectievelijk de kuitbeenzijde van het onderbeen.
- Ipsilateraal en contralateraal
- Aan dezelfde kant respectievelijk aan de andere kant van het lichaam als het punt waar je het over hebt.
Bewegingen
- Flexie (Flexio)
- Buigen: de hoek in het gewricht wordt kleiner, in het sagittale vlak om de transversale as. Aan de romp en de heup heet dit ook anteflexie.
- Extensie (Extensio)
- Strekken: de hoek in het gewricht wordt groter. Voorbij de nulstand heet het hyperextensie, aan de schouder en de heup retroflexie.
- Abductie (Abductio)
- Van het mediaanvlak af bewegen, in het frontale vlak om de sagittale as. Aan de vingers en tenen geldt de as van de hand of de voet als referentie.
- Adductie (Adductio)
- Naar het mediaanvlak toe bewegen.
- Endorotatie (Rotatio interna)
- Naar binnen draaien om de lengteas van het bot.
- Exorotatie (Rotatio externa)
- Naar buiten draaien om de lengteas van het bot.
- Pronatie (Pronatio)
- Van de onderarm: de radius draait over de ulna zodat de handpalm naar achteren of beneden wijst. Van de voet: de combinatie van eversie, abductie en dorsaalflexie.
- Supinatie (Supinatio)
- Van de onderarm: terugdraaien tot de handpalm naar voren of boven wijst. Van de voet: de combinatie van inversie, adductie en plantairflexie.
- Elevatie en depressie
- Optrekken en laten zakken, vooral van de schoudergordel en de kaak.
- Protractie en retractie
- Naar voren en naar achteren schuiven, vooral van de scapula en de kaak.
- Circumductie (Circumductio)
- De samengestelde beweging waarbij het uiteinde van een ledemaat een kegel beschrijft: flexie, abductie, extensie en adductie na elkaar. Geen eigen as.
- Lateroflexie (Flexio lateralis)
- Zijwaarts buigen van de wervelkolom, in het frontale vlak.
- Dorsaalflexie en plantairflexie
- Van de enkel: de voetrug naar het scheenbeen toe respectievelijk de voet naar beneden. Dorsaalflexie heet ook extensie, maar die term wordt aan de enkel bewust vermeden.
- Inversie en eversie
- Kantelen van de voetzool naar binnen respectievelijk naar buiten, vooral in het onderste spronggewricht.
- Oppositie en repositie (Oppositio, repositio)
- De duim naar de pink toe bewegen en weer terug. Alleen mogelijk in het zadelgewricht van de duim.
Gewrichtsleer
- Osteokinematiek
- De beweging van de botten ten opzichte van elkaar, zoals je die van buitenaf ziet en met een goniometer meet: flexie, abductie, rotatie.
- Artrokinematiek
- De beweging van de gewrichtsvlakken ten opzichte van elkaar, binnen in het gewricht: rollen, glijden en spinnen. Niet zichtbaar van buiten, wel voelbaar bij mobiliseren.
- Rol en glijden
- Rollen is het afwikkelen van het ene vlak over het andere, glijden is het verschuiven ervan. In een gezond gewricht gebeuren ze tegelijk; zonder glijden loopt het gewricht vast aan één kant.
- Convex-concaafregel
- Beweegt een convex vlak over een concaaf vlak, dan lopen rol en glijden tegengesteld. Beweegt een concaaf vlak over een convex vlak, dan lopen ze gelijk. Bepaalt de richting waarin je mobiliseert.
- Range of motion (ROM)
- De bewegingsuitslag van een gewricht, in graden. Actief is wat de patiënt zelf haalt, passief wat de therapeut er nog bij haalt; passief is normaal iets groter.
- Eindgevoel (End feel)
- Wat je aan het eind van de passieve beweging voelt. Normaal: week (weke delen), elastisch (kapsel en banden) of hard (bot tegen bot). Afwijkend: leeg (pijn stopt de beweging), springend (een blokkade) of te vroeg hard.
- Capsulair patroon
- Het vaste patroon waarin de bewegingen van een gewricht beperkt raken als het hele kapsel is aangedaan. Bij de heup is endorotatie het eerst beperkt, bij de schouder exorotatie. Een beperking die niet in dat patroon past wijst op iets anders dan een kapselprobleem.
- Close-packed positie
- De stand waarin de gewrichtsvlakken maximaal op elkaar passen en kapsel en banden strak staan. Het gewricht is dan het stabielst en het minst geschikt om in te mobiliseren.
- Loose-packed positie
- De rustpositie: kapsel en banden staan het slapst en er is de meeste speling. De stand waarin je onderzoekt en mobiliseert.
- Vormsluiting en krachtsluiting
- Stabiliteit uit de vorm van de gewrichtsvlakken zelf, tegenover stabiliteit uit spanning van spieren, banden en fascie. Het SI-gewricht is het schoolvoorbeeld van beide samen.
Spierwerking en biomechanica
- Agonist
- De spier die de beweging in kwestie uitvoert.
- Antagonist
- De spier die de tegengestelde beweging maakt en de agonist afremt.
- Synergist
- Een spier die de agonist helpt of een ongewenste nevenbeweging ervan tegenhoudt.
- Stabilisator
- Een spier die een bot of een gewricht vasthoudt zodat een andere spier ergens vanaf kan werken.
- Momentarm
- De loodrechte afstand van de werklijn van een spier tot de as waar het gewricht omheen draait. Hoe groter de momentarm, hoe meer draaikracht dezelfde spierkracht oplevert.
- Werklijn
- De lijn waarlangs een spier trekt, van origo naar insertie. Loopt de pees om een botrand of over een katrol, dan knikt de werklijn daar en verandert de momentarm mee.
- Open en gesloten keten
- In een open keten beweegt het distale segment vrij (een been zwaaien); in een gesloten keten staat het vast en beweegt de rest eromheen (een squat). Dezelfde spier doet in beide iets anders.
- Concentrisch, excentrisch, isometrisch
- De spier wordt korter tijdens het aanspannen, wordt langer terwijl ze remt, of houdt haar lengte. Excentrisch belasten is waar de meeste peesklachten mee behandeld worden.
- Actieve insufficiëntie
- Een spier over twee gewrichten kan niet in beide tegelijk maximaal verkorten: de hamstrings kunnen de knie niet volledig buigen terwijl de heup al gestrekt is.
- Passieve insufficiëntie
- Dezelfde spier kan ook niet over beide gewrichten tegelijk maximaal verlengd worden; dat is wat een straight leg raise begrenst.
Neurologie
- Myotoom
- De spieren die door één ruggenmergsegment worden aangestuurd. Klinisch getest met een krachttest per niveau: C5 abductie van de schouder, L4 dorsaalflexie van de enkel, S1 plantairflexie.
- Dermatoom
- Het huidgebied waarvan de gevoelsinformatie via één ruggenmergsegment binnenkomt.
- Radiculopathie
- Prikkeling of uitval van een zenuwwortel, met pijn, gevoelsverlies of krachtverlies in het bijbehorende dermatoom en myotoom.
- Referred pain
- Pijn die gevoeld wordt op een andere plek dan waar hij vandaan komt, doordat de informatie op hetzelfde segment binnenkomt. Schouderpijn bij een galblaasaandoening is het klassieke voorbeeld.