Corpus3D

Bovenste extremiteit

Brede rugspier

Musculus latissimus dorsi

Origo
Processus spinosi van T7–L5, thoracolumbale fascie, crista iliaca en onderste ribben
Insertie
Crista tuberculi minoris van de humerus (sulcus intertubercularis)
Functie
Adductie, endorotatie en extensie van de schouder
Innervatie
Nervus thoracodorsalis (C6–C8)
Beweging & keten
Adduceert, retroflecteert en endoroteert de arm, en trekt de opgeheven arm krachtig naar beneden en achteren: de beweging van klimmen, zwemmen en roeien. Bij een gefixeerde arm tilt hij juist de romp op.
Palpatie
De laterale rand is goed te voelen langs de achterste okselplooi bij adductie tegen weerstand.
Klinisch
Verkorting beperkt de eindstandige elevatie van de arm en kan compensatoire lumbale extensie geven. De spier wordt veel gebruikt als donorweefsel bij reconstructieve chirurgie.
Segmentale innervatie
N. thoracodorsalis, C6–C8.
In de zorgpraktijk
De laterale rand en achterste okselplooi dienen als oriëntatiepunt bij axillaire lymfeklierpalpatie en bij het markeren van de spier als donorlap in reconstructieve chirurgie.
Regio in het model
Bovenste extremiteit

Verwante structuren