Corpus3D

Bovenste extremiteit

Korte duimbuiger

Musculus flexor pollicis brevis

Origo
Diepe kop: os trapezoideum en os capitatum. Oppervlakkige kop: os trapezium en retinaculum flexorum
Insertie
Basis van de proximale falanx van de duim, via het laterale sesambeentje
Functie
Buigt het metacarpofalangeale gewricht van de duim
Innervatie
Diepe kop: nervus ulnaris (diepe tak); oppervlakkige kop: nervus medianus (recurrente tak), C8–T1
Beweging & keten
Werkt samen met de opponens pollicis en abductor pollicis brevis bij oppositie en flexie van de duim, essentieel voor een fijne knijpgreep tussen duim en wijsvinger.
Palpatie
Voelbaar op de thenareminentie, mediaal van de m. abductor pollicis brevis, bij flexie van de duim tegen weerstand.
Klinisch
Bij een n. medianus-laesie (bijvoorbeeld carpaletunnelsyndroom) blijft de diepe kop, via de n. ulnaris, vaak functioneel: dit helpt bij het lokaliseren van het letsel.
Segmentale innervatie
De dubbele innervatie (C8–T1, via zowel n. medianus als n. ulnaris) maakt deze spier klinisch bruikbaar om tussen een n. medianus- en een n. ulnaris-laesie te differentiëren.
In de zorgpraktijk
Aandacht voor handfunctie en oedeempreventie; bij infuusprikken en spalken zorgen dat vingers en duim in functionele stand blijven ter voorkoming van contracturen.
Regio in het model
Bovenste extremiteit