Bovenste extremiteit
Korte duimbuiger
Musculus flexor pollicis brevis
- Origo
- Diepe kop: os trapezoideum en os capitatum. Oppervlakkige kop: os trapezium en retinaculum flexorum
- Insertie
- Basis van de proximale falanx van de duim, via het laterale sesambeentje
- Functie
- Buigt het metacarpofalangeale gewricht van de duim
- Innervatie
- Diepe kop: nervus ulnaris (diepe tak); oppervlakkige kop: nervus medianus (recurrente tak), C8–T1
- Beweging & keten
- Werkt samen met de opponens pollicis en abductor pollicis brevis bij oppositie en flexie van de duim, essentieel voor een fijne knijpgreep tussen duim en wijsvinger.
- Palpatie
- Voelbaar op de thenareminentie, mediaal van de m. abductor pollicis brevis, bij flexie van de duim tegen weerstand.
- Klinisch
- Bij een n. medianus-laesie (bijvoorbeeld carpaletunnelsyndroom) blijft de diepe kop, via de n. ulnaris, vaak functioneel: dit helpt bij het lokaliseren van het letsel.
- Segmentale innervatie
- De dubbele innervatie (C8–T1, via zowel n. medianus als n. ulnaris) maakt deze spier klinisch bruikbaar om tussen een n. medianus- en een n. ulnaris-laesie te differentiëren.
- In de zorgpraktijk
- Aandacht voor handfunctie en oedeempreventie; bij infuusprikken en spalken zorgen dat vingers en duim in functionele stand blijven ter voorkoming van contracturen.
- Regio in het model
- Bovenste extremiteit