Bovenste extremiteit
Carpometacarpale en intermetacarpale banden (CMC- en MC-gewrichten)
Ligamenta carpometacarpalia et intermetacarpea
- Origo
- Distale carpaalrij (trapezium, trapezoideum, capitatum, hamatum) en bases van metacarpalia I–V
- Insertie
- Bases van de middenhandsbeentjes en onderlinge metacarpaalverbindingen (incl. lig. metacarpeum transversum profundum)
- Functie
- Verankeren de middenhandsbeentjes aan de handwortel tot een stevig fundament; CMC II en III zijn uiterst stijf voor stabiliteit (centrale steunpilaar), terwijl CMC I (duimzadelgewricht) en CMC IV-V mobiel zijn om handpalmholling en duimoppositie mogelijk te maken; lig. transversum profundum houdt de metacarpaalkoppen II-V bijeen
- Innervatie
- Nervus medianus, nervus ulnaris (r. profundus) en nervus interosseus posterior
- Beweging & keten
- Zadelbeweging (oppositie/repositie) in CMC I; flexie-abductie in CMC IV-V bij vuistmaken
- Palpatie
- Dorsaal duidelijk voelbaar aan de basis van de metacarpalia; duimbasis (CMC I) uitstekend palpabel in de tabatière anatomique
- Klinisch
- Rhizartrose (artrose van CMC I / duimzadelgewricht, veelvoorkomend bij vrouwen >50 jr met pijn bij wringbewegingen en pinch grip); carpometacarpale luxaties; Bennett-fractuur (intra-articulaire breuk-luxatie CMC I).
- Segmentale innervatie
- C6–Th1
- In de zorgpraktijk
- Grind test voor CMC I artrose, spalkbehandeling (duimspica), trapeziectomie / peesinterpositie-plastiek en gerichte duimstabilisatietraining
- Regio in het model
- Bovenste extremiteit